Symposium ‘Vredeseducatie juist nu!’ 13 juni 2026
Keynote Lidija Zelović
De rol van economie in het ontstaan van oorlogen
Oorlogen ontstaan niet opeens, maar zijn het gevolg van een opeenstapeling van factoren. Economische instabiliteit is daarin een constante.
Zo ligt een belangrijke oorzaak van het uitbreken van de oorlog in voormalig Joegoslavië in 1991 in de wereldwijde schuldencrisis van 1979. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) sloot een zogenaamd ‘stand-by stabilisation agreement’ af met Joegoslavië en legde vervolgens bezuinigingsmaatregelen op die per definitie binnen een kapitalistisch kader vielen. Dat botste fundamenteel met de manier waarop het land was ingericht: socialistisch. Het resultaat was economische ontwrichting en groeiende instabiliteit. Dit wordt beschreven door Susan Woodward, professor of political science aan de City University of New York (CUNY).
‘Never waste a good crises’ schreef Naomi Klein in haar veelgeprezen boek ‘The Shock Doctrine’(2007). Ervaring en literatuur leert dat mensen in economisch instabiele tijden angstiger, kwetsbaarder en makkelijker te sturen zijn. Een bange bevolking vervalt makkelijk in polarisatie, en met een gepolariseerde en daardoor zwakke bevolking kan een regering doen wat ze wil. Dit geldt net zo hard voor bijvoorbeeld Nederland als voormalig Joegoslavië.
De mythe van de democratische bescherming: Göring en Gilbert
Dat democratie -waarmee Nederland zich gelukkig prijst- beschermt tegen ellende en oorlog is een mythe. Dit bewijst ook een interview met Hermann Göring, in gevangenschap na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de Nürnberg-verhoren. Hij werd daar geinterviewd door de Duist sprekende inlichtingenofficier en psycholoog Gustave Gilbert. Göring zei:
“Natuurlijk, het volk wil geen oorlog. Waarom zou een arme sloeber op een boerderij zijn leven willen riskeren in een oorlog als het beste wat hij eruit kan halen is om ongedeerd terug te keren naar zijn boerderij? Natuurlijk wil het gewone volk geen oorlog; niet in Rusland, niet in Engeland, niet in Amerika, en ook niet in Duitsland. Dat is begrijpelijk. Maar uiteindelijk zijn het de leiders van het land die het beleid bepalen, en het is altijd een fluitje van een cent om het volk mee te slepen, of het nu een democratie, een fascistische dictatuur of een communistische dictatuur is.”
Gilbert wierp tegen: Er is een verschil, in een democratie heeft het volk inspraak via zijn gekozen vertegenwoordigers, en in de Verenigde Staten kan alleen het Congres oorlogen verklaren.
Waarop Göring antwoordde: “O, dat is allemaal mooi en aardig, maar met of zonder stemrecht, het volk kan altijd naar de pijpen van de leiders worden gejaagd. Dat is makkelijk. Je hoeft ze alleen maar te vertellen dat ze worden aangevallen, en de pacifisten te veroordelen voor gebrek aan patriottisme en het in gevaar brengen van het land. Het werkt overal hetzelfde.”
Dit is geen cynisme om cynisme. Het is een nuchter mechanisme dat we keer op keer terugzien, ook in landen die zichzelf trotse democratieën noemen.
Morele architectuur, de media en de werkelijkheid die zij construeren
Na het einde van de Koude Oorlog en strijd tegen het communisme vereenvoudigde ons wereldbeeld. Morele suprematie werd leidend, gelegitimeerd door Francis Fukuyama’s bestseller The End of History (1992), waarin hij betoogde dat de liberale democratie het eindpunt van de menselijke ideologische evolutie had bereikt — niet alleen het einde van een historische periode, maar het
einde van de geschiedenis als zodanig: het universele eindmodel van menselijk bestuur. Die morele architectuur heeft sindsdien een gevaarlijke logica gekregen: waarden-geleide buitenlandse politiek. De redenering luidt: onze waarden zijn universeel, wie ze niet deelt is de vijand, en het is onze plicht die vijand te bestrijden. Historisch gezien is dit altijd de weg naar oorlog en militarisering geweest. Het is een post-religieuze manier van naar de wereld kijken — geseculariseerd, maar even fundamentalistisch. Wie de morele consensus niet aanvaardt, verliest zijn morele geloofwaardigheid. Dat mechanisme installeert morele angst, en morele angst is de sterkste motor van oorlogsacceptatie.
Het staat vast dat de media in Rusland manipuleren. Maar deze premisse wordt zo vaak herhaalt, dat wij ons zorgen zouden moeten maken over onze eigen media. Door te wijzen naar de manipulatie dáár, moet benadrukt worden dat onze media geheel objectief zijn.
De Amerikaanse politicoloog wees erop dat journalisten hun eigen ideologische vooroordelen maskeren achter een valse schijn van objectiviteit. Ze bezitten en beheersen de werkelijkheid, en gebruiken die vervolgens als wapen. Op subtiele, maar aanhoudende wijze bepalen ze de grenzen van het respectabele politieke discours, en ze sturen de publieke aandacht in richtingen die het bestaande politiek-economische systeem ondersteunen. Nederlandse wetenschapper Tabe Bergman toont dit specifiek aan voor Nederland in zijn stuk The Case of Dutch Media.
Zelf heb ik de werking van deze manipulatie ondervonden in mijn eigen journalistieke werk, en in hoe er in Nederland over Joegoslavië werd bericht. Mijn eigen herinneringen werden gewist en ik ging me dingen herinneren die ik nooit zag, en voelen wat ik nooit voelde, omdat het regelmatig herhaald werd. Niemand ontkomt aan de manipulatie. Hoe rijker het land, hoe beter de manipulatie, zou je kunnen zeggen. Een onderzoek van Damir Nikšić, een Bosnische conceptueel kunstenaar, komiek en links politicus, kan dit verduidelijken.
Westerse media spraken in de context van de oorlogen in Joegoslavië over “Servische strijdkrachten”, over de “Servische regering” (net zoals de regering in Sarajevo “islamitisch” werd genoemd), en over “misdaden van Servische strijdkrachten”, die later in het collectieve bewustzijn kortweg “Servische misdaden” werden genoemd, gepleegd door “Servische criminelen.” In de beeldvorming is dan het volgende moeilijk te ontkomen: het beschrijvende bijvoeglijk naamwoord (in dit geval “Servisch”) beschrijft niet het zelfstandig naamwoord (in dit geval “criminelen”), maar het zelfstandig naamwoord (“criminelen”) wordt wel opgevat als een beschrijvend bijvoeglijk naamwoord dat van toepassing is op alle Serviërs.
Iets vergelijkbaars speelt er rond het begrip ‘’christelijk Europa.’’ Dit duidde ooit het christelijke deel van Europa aan, aangezien er in Spanje in de Middeleeuwen een -zeer geavanceerd en ontwikkeld- Al-Andalus gebied bestond dat honderden jaren door moslims werd geregeerd. Later begon de term “christelijk Europa” te evolueren; het duidde niet meer alleen op het christelijk gedeelte van Europa, maar wilde aangeven dat Europa christelijk is, en dan ook alleen christelijk.
De term “Servische criminelen” kreeg in het collectieve (onder)bewustzijn de betekenis van “slechte Serviërs” en is waarschijnlijk afgeleid van de omschrijving “misdaden van Servische strijdkrachten” door westerse media. Helaas is de term na de oorlog op talloze monumenten (en zelfs op het stadhuis in Sarajevo) genormaliseerd.
Paranoia voor socialisme en bagatellisering van het fascistische gevaar
Westerse media focusten zich destijds vooral op het “regime van Milošević”, volgens veel onderzoeken vooral omdat het over de Socialistische Partij ging. Ook al heb ik niets positiefs te zeggen over Slobodan Milošević, dit stuk zegt veel over de werking van de media, en hoe de fouten in de toenmalige berichtgeving nu nog gevaarlijk doorwerken.
Sommige media (in de algemene euforie en sfeer na de val van de Berlijnse Muur en het socialisme in het algemeen) grepen naar de overgebleven en achterhaalde retoriek en methoden uit de Koude Oorlog en naar elke gelegenheid om het socialistische idee en de socialistische ideologie verder te besmeuren en af te schilderen als wreed en bloeddorstig.
Tegelijkertijd hebben diezelfde media nooit gewezen op de fascistische en nazistische ideologie die op het grondgebied van de Joegoslavische staat was ontwaakt en het had verslonden; Kroatië, Servië en daarmee ook andere kleinere naties die de hoogste prijs betaalden het handelen van de voor bloed en geweld gezwichte rechtervleugel van de zogenaamde “ultranationalisten”.
De Kroatische ‘ultranationalisten’ werden haast genegeerd. De Servische ‘ultranationalisten’ kregen terecht veel aandacht, maar los van de Kroatische ‘ultranationalisten’ en dus niet in de juiste context. De Servische ‘ultranationalisten’ konden zo nog makkelijker op een hoop gegooid worden met de ‘gevaarlijke’ socialisten.
Het leek erop dat de redacteuren en producenten van televisiestations en kranten niet erg geïnteresseerd waren in het fascisme en racisme dat rondwaarde in voormalig Joegoslavië, en waar vluchtelingen over vertelden.
Journalisten van de mainstream media kregen geen opdracht om de heropleving van het fascisme en nazisme in dat deel van Europa te onderzoeken, de heropleving van ooit verslagen ideologieën waar veel intellectuelen luidkeels voor waarschuwden en alarm over sloegen.
De media hebben nooit met dezelfde felheid, of op zijn minst met dezelfde paranoia (als ten opzichte van communisten en links), gewezen op deze racistische, extreemrechtse ideologie van blanke Europese christelijke suprematie, het “bloed en bodem”-principe, de ideologische en pathologische haat jegens andere rassen, culturen, beschavingen en volkeren. Ze hadden er een soort “blinde vlek” voor ontwikkeld, destijds in Joegoslavië en nu ook al jarenlang met betrekking tot Oekraïne.
De belangrijkste thema’s en tevens ideologische vijanden waren en zijn “islamitisch fundamentalisme” en “bolsjewisme”, terwijl talloze wreedheden en burgerslachtoffers werden beschouwd als neveneffecten in plaats van als overduidelijke uitingen van fascisme en nazisme.
Het was in dit licht makkelijk om de Europese genocide op de moslims van Europa toe te schrijven aan een perifeer volk, aan het “genocidale” Servische volk, en het geheel voor te stellen als een lokale stammenoorlog in de provincie, aan de rand van het rijk, om zo de handen in onschuld te wassen. En het kwam goed uit daarbij niet de blik te hoeven richten op het eigen antisemitisme en vooroordeel tegen alles wat Arabisch, niet-Europees, “niet-blank” was, op de eigen vooringenomenheid en haat tegen alles wat progressief en links was, op het eigen racisme en op de eigen blanke christelijke suprematie.
Lessen die we kunnen trekken
Het ‘Joegoslavië experiment’ is op veel fronten heel belangrijk voor vandaag, alle fouten die toen gemaakt werden zijn nu drie keer zo gevaarlijk. We zien bijvoorbeeld de Kroatische fascistische groet uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog, ‘Za Dom Spremni’ (‘voor het vaderland – gereed!’) sinds de oorlog in de Jaren ’90 regelmatig opduiken, ook nu. Deze groet is vergelijkbaar met ‘Slava Ukraine’, en groet die zelfs door Nederlandse politici met grote regelmaat wordt uitgesproken.
Valentina Otmačić, wetenschapper in vredesstudies uit Kroatie, onderzoekt de lagen van geweld. Direct geweld is volgens haar het topje van de ijsberg; zichtbaar, meetbaar, nieuwswaardig. Bommen. Schoten. Slachtoffers. We zien het en vragen ons af: hoe kon dit gebeuren? Maar onder dat topje liggen altijd twee diepere lagen:
Structureel geweld: het systeem dat het voor sommige mensen structureel moeilijker maakt om hun rechten te krijgen. Daaronder zouden we ook vredesactivisten kunnen scharen. Ze komen in moeilijkheden of worden zelfs ontslagen omdat zij iets willen aankaarten. Sowieso gaat het hierbij om mensen die tot een minderheid behoren. Niet omdat de wet dit voorschrijft, maar omdat het systeem zich zo ontwikkelt en het toelaat.
Cultureel geweld: de stereotypen en vooroordelen die de ontmenselijking van de ander mogelijk maken. Als je iemand tot je aartsvijand bestempelt, kan dit zo ver gaan dat de haat die je voelt nog meer haat oproept, en dat deze haat … een deugd wordt.Zo wordt de weg naar direct geweld vlak en breed.
Hoe langer de oorlogen duren, hoe moeilijker het is om zich tegen het mainstream narratief te verzetten.
Wat betekent dit voor de jeugd, de leerlingen?
Vier jaar geleden sprak het kabinet-Rutte nog bagatelliserend over de mogelijkheid dat Nederlanders de oorlog in gestuurd zouden worden. Vandaag wordt die mogelijkheid openlijk besproken, het is een kwestie van tijd. Het narratief dat Rusland om de hoek staat om ons aan te vallen, en de conclusie die daaruit getrokken wordt, dat onze kinderen, onze leerlingen, straks de loopgraven in moeten, is langzaam ontwikkeld en in de loop van de tijd normaal gevonden. Zo ging het Joegoslavië, zo gaat het altijd.
We zijn langzaam maar zeker geleid richting wat sinds een paar jaar ‘sneuvelbereidheid’ heet en nu aangevuld is met ‘vrijheidsbelasting’.
Overal om ons heen lijkt dit genormaliseerd, ook in het onderwijs. Op universiteiten worden reservistenoefeningen georganiseerd, waar studenten studiepunten en geld toe krijgen. De Universiteit Leiden tekende al in 2022 een Memorandum of Understanding met de NAVO. In een debatcentrum als de Balie is in een hele korte tijd oorlog normaal geworden; het is nu radicaal als je het over vrede wilt hebben.
De mediakeuze is bepalend voor waar we nu zijn. Niet alleen ondervragen onze ’objectieve’ media de regering niet, waarmee ze hun belangrijkste taak, het controleren van de macht, verwaarlozen, maar ze versimpelen oorlogsvraagstukken ook voortdurend tot ‘good guys’ en ‘bad guys.’
Vrede is echter ’rommelig.’ Het is de moeilijke weg. Vrede vereist nadenken, zoeken, constante inzet en hoop. En HOOP alleen vereist een veel complexere inzet dan HAAT, zowel van de media als van onszelf. En daar kunnen en moeten we iets aan doen.
Wij, leraren, docenten, opvoeders, hebben iets wat dat systeem niet kan wegnemen: toegang tot jonge mensen op het moment dat hun wereldbeeld nog gevormd wordt. De Nieuwe Vredesbeweging beschikt over de middelen en de kennis om daarin te ondersteunen.
Het belangrijkste wat we onze kinderen kunnen leren:
oorlog is een keuze. En vrede is dat ook.


